Vaktermen en begrippen wijnleer

  • Afdronk: de geur en de smaak die men in de mond houdt, nadat men de wijn heeft doorgeslikt.
  • Baumé: het zoetgehalte van de Most 17 gram suiker op 1 liter water = 1° Baumé. 10 Baumé levert 1 % alcohol.
  • Boeket: of bouquet. Hieronder verstaat men de geur van de wijn.
  • Charme: is de eigenschap die een bepaalde wijn aantrekkelijk maakt.
  • Cider: appelwijn.
  • Cuviers: pershuizen.
  • Corsé: noemt men een wijn met een sterke robuuste smaak en stevig boeket.
  • Dépôt: bezinksel.
  • Genuanceerd: grote verscheidenheid aan verfijnde geur- en smaakeigenschappen.
  • Gistcel: is een eencellig plantje, dat zichzelf voedt, ademhaalt, stoffen afscheidt en zich vermenigvuldigt door deling.
  • Lageren: bewaren, opslaan.
  • Most: het ongegiste druivensap.
  • Madérisé: onprettige geur en smaak van witte wijn, die ontstaat door inwerking van licht en lof zuurstof (oxydatie).
  • Ouillage: het bijvullen van de fusten tot de bondel. Is een wijnvat van 233 liter.
  • Oenologie: kennis van wijn, zijn ontstaan, gisting en ontwikkeling.
  • Pinard: zeer eenvoudige “alle-dag” wijn met laag alcoholgehalte.
  • Pétillant: of perlant. Hieronder verstaat men de aanwezigheid van nog een spoort je koolzuurgas. Het geeft een lichte prikkeling op de tong.
  • Soutirage: het oversteken op schone fusten.
  • Tastevin: ondiep, van deuken en uithollingen voorzien schaaltje, dat dient om de wijn in te proeven. Door de niveauverschillen in de bodem schijnt het licht door de wijn en geeft alle kleurnuances weer.
  • Tannine: looizuur. Is een bestanddeel van de schil, de pit en de steel van de druif. Hieraan hebben de wijnen hun houdbaarheid te danken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *