Corpus uteri

Het baarmoederlichaam is driehoekig van vorm. De bovenste zijde vormt de baarmoederfundus en is het breedste deel van de baarmoeder. In de hoekpunten komen de eileiders toe.

Ter hoogte van de onderste hoekpunt, op de overgang naar de cervix is het baarmoederlichaam het smalste, men noemt dit de isthmus. Tijdens de zwangerschap en baring worden de cervix en de isthmus uitgerekt en gedragen zich passief tijdens de uitdrijving van het kind. Zij vormen een gedeelte van het weke baringskanaal. De wand van het baarmoederlichaam bestaat uit 3 lagen. Van buiten naar binnen onderscheidt men:

(1) het perimetrium: is een bindweefsellaag die bedekt is met perito-neum. Het peritoneum bedekt de blaas, maakt dan een plooi naar boven en bekleedt de voorzijde van de baarmoeder, vervolgens de fundus en de achterzijde van de baarmoeder. Daarna vormt het opnieuw een plooi naar boven en bekleedt het rectum. De ruimte naast de baarmoeder tussen de 2 bladen van het peritoneum noemt men het parametrium.
(2) het myometrium:  is de dikke spierlaag van de baarmoeder. Zij bestaat uit gladde spiercellen met bloed- en lymfevaten en zenuwen. In de zwangerschap vermeerderen de spiercellen o.i.v. de hormonen. Tijdens de baring vormen de spieren van het corpus het actief segment in de uitdrijving van het kind.

(3) het endometrium: is de slijmvlieslaag en vormt de binnenbekleding van de baarmoeder. Het endometrium bestaat uit een basale laag en een functionele laag. Deze laatste wordt tijdens de menstruatie afgestoten. Aan het oppervlak bevat het een éénlagig kubisch epitheel met trilhaardragende cellen en kliercellen. De kliercellen zijn buisvormig gerangschikt en zakken weg in het onderliggend bindweefsel. Dit bindweefsel noemt men het stroma.
De bodem van de klierbuizen ligt in het basale deel en de top in het functionele deel.

De arteriële bloedvoorziening van het endometrium bestaat uit 2 soorten arteriolen:

(a) gewone arteriolen en haarvaten die het basale deel van bloed voorzien. Zij ondergaan weinig cyclische veranderingen.
(b) arteriolen die zich verder zetten in het functionele deel en dan een uitgebreid haarvatennetwerk vormen. Deze arteriolen zijn gespiraliseerd (kurketrekkervormig) en hebben een speciale structuur. Hun spiertjes in de wand zijn zó gerangschikt dat zij bij samentrekking de arteriolen doen knikken zodat de bloedstroom vertraagd wordt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *