Godsdienstige woorden

Online woordenboek Godsdienst (zie ook deel 1)

Koosjer (of Kasjer, ook Kasjeer): ritueel geoorloofd
Menora: kandelaar (het oudste Joodse symbool)

Neviïm: profeten, de boeken van de profeten en koningen: tweede deel van de TeNaK
Pesach: paasfeest: feest van de uittocht
Seder(avond): orde van de paasavondviering, speciale ceremonie thuis aan tafel ter herdenking van de uittocht uit Egypte
Sjavocot: Pinksterfeest: feest van de wet
Sjema(-Israël): “Hoor Israël”, het belangrijkste gebed:
“Hoor Israël, de Heer uw God, de Heer is één” en de daaropvolgende delen (Deut.6,5-9; 11,13-21; Num.15,37-41)
Synagoge: leer- en gebedshuis
Soekot: het Loofhuttenfeest (meervoud van Soeka=loofhut) intocht
Tefillin: gebedsriemen
Tenach: initialen van Tora, Neviim, Ketoevim; de Bijbel van de joden (Oude Testament)
Torah: eerste en belangrijkste deel van de joodse Tenak, de Pentateuch of de vijf boeken van Mozes.
Tsedeka: gerechtigheid; het gebed betekent: al doen wat goed is voor Jahwe
Bar Mitsva: zoon van het gebod: religieuze meerderjarigheid van jongens op 13-jarige leeftijd.
Choepa: baldakijn waaronder het huwelijk plaatsvindt; ook benaming van de ceremonie van het huwelijk.
Kaddisj: gebed dat herhaaldelijk voorkomt in de liturgie, een lofzang in het Aramees opgesteld.
Ketoevim: geschriften: derde deel van de TeNaK

Reacties op “Godsdienstige woorden”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *